Publicatie in het blad: Om de drie maagden.
(Personeelsorgaan van de Provincie Drenthe).
12e jaargang - nr 4 - april 1987.


J. Hollenbeek Brouwer: terugblik en vooruitzicht:








door Gerrit Bosschers
Gedeputeerde Hollenbeek Brouwer is misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende exponent van het, ten tijde van dit interview, nog zittende college.
Ook hij neemt, na 25 jaar statenlidmaatschap, waarvan 17 als gedeputeerde, deze maand afscheid. Net als de gedeputeerden Boerema, die terugkeert als statenlid,
Prenger en Willems, die in het vorige nummer van dit blad aan het woord kwamen.

Enigszins afstandelijk in het eerste contact, formeel. Zorgvuldig en bedachtzaam formulerend (een zegen voor een statennotulist). Voor sommigen misschien wel beantwoordend aan het beeld van de 'steile gereformeerde'.
Maar toch ook een man met gevoel voor humor, zij het niet voor alles.
Bij voorbeeld niet als het gaat om de uitlatingen over het emancipatiebeleid van Spectator in 'Om de drie maagden'.

Veelal wordt hij vereenzelvigd met het (regionale) cultuurbeleid en het welzijnsbeleid, maar zelf vindt hij dat daarop soms te veel nadruk wordt gelegd. Zijn portefeuille is immers ruimer dan alleen cultuur en welzijn. Naast de onderwerpen die hierna aan bod komen, bij voorbeeld ook nog beleidsplanning, minderhedenbeleid, voorlichting en het functioneren van staten en statencommissies. Voorts is hij waarnemend commissaris.
De andere kant van een gedeputeerde.
'Als men in het Westen griep heeft hoeven
we in Drenthe niet in bed te gaan liggen'
Groeiproces
Geboren in Valthermond, in 1923. Afkomstig uit een agrarisch gezin. Het lag dus wel enigszins voor de hand dat u, na de HBS, naar de Hogere Landbouwschool ging om u te bekwamen voor het boerenbedrijf.

Dat wel, maar de opleiding bood ruimere mogelijkheden dan alleen het agrarisch bedrijf. Bij voorbeeld in de richting van landbouworganisaties, coöperaties en dergelijke.
Ik ben ook nooit terechtgekomen in het praktische boerenbedrijf. 't Was wel een heel bijzondere tijd. Eindexamen HBS-b in 1942 en het eindexamenvak van de HLS ook nog in de oorlogstijd, in 1944.
En na de oorlog direct aan het werk, als inspecteur bij het Bureau van de Provinciale voedselcommissie Drenthe.
Wel in het verlengde van mijn opleiding dus. Een moeilijke tijd voor Drenthe, maar dankbaar werk.
Daarna, in 1947, werd ik adjuct-secretaris van het Landbouwschap. Ook een functie waarin je veel contacten had. Met standsorganisaties en met individuele boeren. Door dat werk heb ik de provincie goed leren kennen. Daardoor kwam ik ook in aanraking met andere dan agrarische problemen. Op het gebied van het meer immateriële welzijn bij voorbeeld.
Een terrein waarmee ik ook in mijn vrije tijd, via de ARJOS, bekend raakte. De belangstelling voor maatschappelijke problemen, voor de ontwikkeling van Drenthe en ook voor de cultuur, is het resultaat van een groeiproces.
Dat mondde dan ook uit in daadwerkelijke deelname aan het sociale en culturele ontwikkelingsproces. Vanaf 1954 was ik nauw betrokken bij het Drents Genootschap, in het begin als redactiesecretaris van het Maandblad Drenthe
en later ook in het bestuur.

Die groeiende belangstelling voor de cultuur en het welzijn verklaart dus ook de op het eerste gezicht wat abrupte overgang in 1960 van het Landbouwschap
naar het Gereformeerd Sociaal Centrum, waar u
directeur werd.

De overgang was wel fors, maar het ging om een vooral organisatorische functie bij een instelling die als achterban de gereformeerde en christelijk gereformeerde kerken had.
Een instelling die vanuit die achtergrond de ontwikkelingen in de maatschappij stimuleerde, net als dat gebeurde en nog gebeurt vanuit andere levensbeschouwelijke achtergronden, zoals de katholieke en de hervormde kerken en het humanisme.
Naast mijn werk heb ik steeds mogelijkheden gehouden om politiek bezig te zijn. Vanaf 1962 als statenlid van de ARP en vanaf 1963 tevens als gemeenteraadslid in Assen
een combinatie die toen wel was toegestaan, maar die binnen het CDA nauwelijks meer acceptabel wordt geacht. In die tijd zijn ook mijn intensieve contacten met Opbouw Drenthe ontstaan.
En dan in 1970 lid van GS, met onder andere welzijn in de portefeuille. Hebt u nooit agrarische zaken er bij willen doen, gelet op uw achtergrond?
Dat was eigenlijk niet aan de orde. Ruimtelijke ordening en agrarische aangelegenheden waren vast in handen van de VVD-gedeputeerde Lambers, die in de tijd dat ik adjunct-secretaris van het landbouwschap was, daar secretaris was. Zo kwamen we elkaar in het college van GS weer tegen. De portefeuille was sinds 1945 meestal bij de PvdA geweest. Die ging toen dus over naar de AR en ik was daar heel gelukkig mee, want dat sloot aan bij mijn belangstelling. En ik kreeg ook de energiezaken onder
mijn beheer.
Schaalvergroting en samenwerking
Wel een wat vreemde eend in uw bijt, of lijkt dat maar zo?
Niet echt. Politiek-bestuurlijk is dit onderdeel van mijn portefeuille steeds in belang toegenomen. Het is dan
ook jammer dat het energiebeleid in de verkiezingsstrijd onderbelicht is gebleven. Het is niet alleen een technische aangelegenheid, er zitten ook belangrijke maatschappelijke kanten aan. Energie is de bloedsomloop van de economie en daardoor van de samenleving.
Dat het belang van energiezaken is toegenomen, blijkt onder andere uit de plannen voor grootschalige productie van elektriciteit, met als doel  nog efficiënter werkende en goedkoper producerende bedrijven. Ik hoop dat dat zal lukken. Je hoeft alleen maar te denken aan de oliecrisis
van 1973 om te beseffen dat ook energiebesparing een belangrijk beleidsdoel is geworden. En verder het ontwikkelen van kleinschalige energiebronnen, vanuit de wetenschap dat onze energievoorraden niet onuitputtelijk zijn, zij het niet zo beperkt als de Club van Rome veronderstelde.
Toch is het jammer dat met die ontwikkeling in de richting van grootschalige productie de invloed van een kleine provincie als Drenthe geringer wordt.
Ja, onze invloed in het EGD en de IJsselcentrale was al beperkt, maar zal in het kader van de EPON (Electriciteits-produktiemaatschappij Oost-Nederland), waarin ook
het Provinciale Elektriciteitsbedrijf Friesland en de Provinciale Gelderse Elektriciteitsmaatschappij opgaan,
nog kleiner zijn.

Daarmee komt er dus ook minder controle vanuit deze provincie op de energiedragers die worden ingezet.
Inderdaad, en dan denk ik niet alleen aan opwekking met fossiele brandstoffen, maar ook aan kernenergie.
Het is wat die kernenergie betreft spijtig dat de Brede Maatschappelijke Discussie niet tot een eenduidige conclusie heeft kunnen leiden. Inmiddels is wel gebleken dat het probleem van de kernenergie met veel behoedzaamheid moet worden benaderd.
Een tragische ramp als in Tsjernobyl is - helaas - indringender dan de BMD en heeft meer uitwerking in de politieke besluitvorming. Niet altijd op grond van de meest rationele argumenten, maar dat hoeft ook niet.
Emoties mogen en moeten in de politieke besluitvorming een belangrijke, zij het niet doorslaggevende rol spelen. Het is daarom, juist vanwege die emoties, niet verwonderlijk dat er bij gemeentebesturen in Drenthe,
maar ook bij het provinciaal bestuur, sterke weerstanden bestaan tegen proefboringen ten behoeve van opslag van aardgas in zoutkoepels, die dan, zo vreest men, ook zouden kunnen worden gebruikt voor de opslag van
radio-actief afval.

Schaalvergroting in de productiesector, maar daarnaast ook in de sfeer van de distributie, met het streven naar een of twee horizontaal geïntegreerde distributiebedrijven voor de provincie Drenthe. Er is in het begin van dat proces nogal wat gegoocheld met minimale, maximale en optimale aantallen aansluitingen. Hoe staat het met die ontwikkeling?
Ik ben in ieder geval blij dat in het nieuwe bestuursprogramma het streven naar één of meer - en wat mij betreft zullen dat er dan niet meer dan twee zijn -horizontaal geïntegreerde bedrijven, dat wil zeggen voor gas- en elektriciteitsdistributie, overeind is blijven staan. De eensgezinde opstelling in de staten is dus niet doorbroken. Als zoiets tot stand komt,
zal ik daar gelukkig mee zijn. Al was het alleen maar om
een eind te maken aan de vrij chaotische structuur van de energiedistributie in Drenthe, met consessiegrenzen die soms dwars door gemeenten heen lopen en die zowel voor de gas- als de elektriciteitsdistributie provincieoverschrijdend zijn. Maar ook hierbij moeten we ons realiseren dat
ten aanzien van de elektriciteitsdistributie de hoofdverantwoordelijkheid buiten Drenthe ligt, namelijk in Groningen en Overijssel, vanwege de zeggenschapsverhoudingen in EGD- en IJC-verband.
Na de herstructurering in de productiesector zullen deze bedrijven zich met de distributie en de kleinschalige opwekking bezig gaan houden. Het is wel verheugend dat
de gasbedrijven, mede naar aanleiding van de eensgezinde opstelling in de staten, proberen in Drenthe een vergaande vorm van samenwerking te bewerkstelligen. Dat is een aansporing om de hoofdoptie, een horizontaal geïntegreerd bedrijf voor de hele provincie Drenthe te handhaven.

Samenwerking, het lijkt een sleutelwoord in de rol die het provinciaal bestuur speelt. Soms is het stimuleren van samenwerking echter een moeilijk proces, zoals in het bibliotheekwerk.
Daar is het proces in de richting van samenwerking in het laatste jaar wel in een stroomversnelling gekomen. Overigens is de bereidheid tot samenwerking bij alle partners, dus zowel de PBC als de zelfstandige bibliotheken en hun gemeentebesturen, inmiddels wel gebleken.
Ik voorzie dat er voor de langere termijn geen andere wegen openstaan dan samenwerking. Maar - en dat geldt niet alleen op dit terrein - als je iets niet wilt, kun je nogal wat redenen bedenken waarom het dan ook niet moet. Het mensdom is hierin zeer intelligent.
Eigen identiteit
Op een ander terrein, de gemeentelijke herindeling, geen schaalvergroting?
Onlangs is er een rapport verschenen, dat op verzoek van het Ministerie van binnenlandse zaken door de universiteiten van Leiden en Amsterdam is gemaakt, dat aangeeft dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het aantal inwoners en de kwaliteit van het gemeentebestuur.
Het deed mij goed dat te lezen. En ook dat het nieuwe bestuursprogramma een gereserveerde opstelling kiest
ten aanzien van gemeentelijke herindeling.
Als het instrument van de Wet Gemeenschappelijke regelingen goed werkt, zal de intergemeentelijke samenwerking herindeling nauwelijks actueel hoeven te maken. Bovendien is de problematiek van kleinere gemeenten in bijvoorbeeld het Westen van het land, waar men grote centrumgemeenten met een uitgebreid voorzieningenpatroon kent, van een geheel andere aard in Drenthe. Als met in het Westen griep heeft, hoeven we in Drenthe niet in bed te gaan liggen.
Toch gaan er wel eens stemmen op om, bij voorbeeld in geval van burgemeestersvacature's, te komen tot herindeling.
Burgemeestersvacatures moeten niet worden aangegrepen om tot herindeling te komen. De eigen identiteit van een gemeente is belangrijker dan de toevallige omstandigheid van een vacature. Als er sprake is van knelpunten, zal er moeten worden gewerkt aan oplossingen die daarop zijn toegepitst. Toen bij voorbeeld Meppel uit zijn jasje dreigde te groeien, is daarover overleg gepleegd met de buurgemeenten, ook met Staphorst, dus over de provinciegrens heen.
Al in 1814 waren er in Drenthe 33 gemeenten. In 1884 werden dat er 34, toen Dalen en Schoonebeek werden gesplitst. Dat dat aantal sinds die tijd niet is veranderd, geeft al aan dat de eigen identiteit van een gemeente een belangrijk gegeven is. Ik zie ook nu nog geen aanleiding
om veranderingen aan te brengen.
Die eigen identiteit mag dan wel belangrijk zijn, maar de grenzen moeten toch niet te hoog worden opgetrokken. Dat geldt niet alleen de gemeentegrenzen, vanwege de noodzaak tot intergemeentelijke samenwerking, maar ook de provinciegrens. Enerzijds zie je in BCN-verband de wil tot gezamenlijk optrekken, maar anderzijds is er wel eens sprake van wat meer solistische optredens. Als het gaat om de spreiding van rijksdiensten, bij voorbeeld.
De BCN is een goed instrument voor de behartiging van gezamenlijke belangen en is ook een in Nederland unieke samenwerkingsvorm voor gestructureerd overleg met kabinetten van wisselende politieke samenstelling.
Dat er soms sprake is van solistische acties van de afzonderlijke deelnemers is geen ramp en er zijn ook wel duidelijke belangentegenstellingen. De BCN is er juist voor parallel lopende belangen. Zonder BCN zou er aanmerkelijk minder zijn bereikt voor het Noorden en ook voor Drenthe.
Geen polarisatie
Eensgezindheid, ook van belang als het gaat om vrouwenemancipatie. Vanuit de staten is wel eens de vrees geuit dat de emancipatiegezindheid niet overal in het apparaat even groot is. Deelt u die vrees?
Een zo breed mogelijke ondersteuning van het emancipatiebeleid is fundamenteel. Er is in de afgelopen twee jaar met de deelnota's vrouwenemancipatie veel bereikt. Dat was voorhoedewerk. Drenthe heeft al jaren die voortrekkersfunctie vervuld en was
ook de eerste provincie waar een voor honderd procent gesubsidieerde ombudsvrouw aan het werk was.
En het was niet voor niets dat vorig jaar bij de lustrumviering van het Drents Vrouwenburo, ook het eerste in het land, sprekers als minister De Koning en professor Weeda het woord voerden.
Het is dan ook ongelukkig dat er in het personeelsblad tot drie keer toe merkwaardige reacties zijn gekomen op de deelnota's. De redactie zou het personeelsblad eigenlijk niet moeten lenen voor dat soort venijnig geschrijf.
Dat venijn bepaalt echter beslist niet het totaalbeeld binnen het apparaat. De mentaliteit in dit huis is in het algemeen positief. Overigens, ook bestuurlijk-politiek wordt het emancipatiebeleid niet door iedereen gedragen en soms is er zelfs sprake van gereserveerde reacties van mensen van wie je dat juist niet
zou verwachten.
Toch heeft het mij veel voldoening gegeven dat de deelnota's
nog in deze statenperiode konden worden afgerond. Ik hoop
ook dat de actiepunten daaruit nog voor de laatste statenzitting
in gebundelde vorm kunnen worden uitgebracht.

Toch kan in mij voorstellen dat het externe emancipatiebeleid enigszins op gespannen voet staat met het streven naar deregulering. Het gaat immers bij die deelnota's vooral om het aan de samenleving meegeven van leefregels, van goede omgangsvormen, waarvan de naleving niet of nauwelijks afdwingbaar en moeilijk controleerbaar is.
Die leefregels zijn meer een exponent van de stimulerende rol
van de provincie. Voor zover er sprake is van echte regelgeving
bij voorbeeld in de sfeer van de subsidievoorwaarden, gaat het om noodzakelijke regelgeving. Maar zelfs dan wordt er meer uitgegaan van onderling overleg en vrijwilligheid om de vrouwenemancipatie ingang te doen vinden.
Bij vrijwilligheid zal er ook een breder maatschappelijk draagvlak voor die emancipatie zijn. Het gaat ons erom blokkades weg te nemen, opdat mannen en vrouwen in gelijkwaardigheid aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen en talenten tot ontplooiing kunnen komen.
Aan dat proces kan mede via het subsidiebeleid richting worden gegeven.
Maar ook bij voorbeeld via de Stichting Kindercentra Drenthe en een goed samenspel met de plattelandsvrouwenorganisaties.
En het vrouwenfilmfestival, dat al enkele jaren draait, mede door een provinciaal subsidie. Opvallend is dat hier, anders dan in andere provincies, het emancipatiebeleid niet eenzijdig geladen is en een levensbeschouwelijk en politiek zeer heterogeen, breed draagvlak heeft. Elders leidt vrouwenemancipatiebeleid vaak tot polarisatie, hier niet.

De belangstelling voor de inspraak over de deelnota's is in de loop van de afgelopen twee jaar wat teruggelopen. Is dat een algemene tendens?
In de jaren '60 en '70 was er veel belangstelling om deel te nemen aan inspraakprocedures. De wil om in te spreken is de laatste jaren wat teruggelopen. Toch is inspraak een algemeen aanvaard maatschappelijk verschijnsel geworden. En als er zaken zijn die de mensen echt bezig houden en die emoties losmaken, dan blijkt er voor inspraak nog wel veel belangstelling te bestaan.
Ik hoef alleen maar het Woonwagenplan en het Spreidingsplan Ambulancevervoer te noemen, waarop veel en sterk emotioneel geladen is ingesproken, ook via het spreekrecht in de statencommissies. Dat in de sfeer van de ruimtelijke ordening de belangstelling is gedaald, is juist, maar tevens moet daarbij onderkend worden dat er via de schriftelijke inspraak en het vooroverleg vaak al veel wordt bereikt. Daar worden vaak al de compromissen gesloten. Dat zien we ook bij de in de laatste jaren ontwikkelde beleidsvisies op welzijnsgebied.

Vertrouwensrelatie
Hoe kijkt u nu terug op die 17 jaar gedeputeerdenschap?
Gedurende die 17 jaar heb ik steeds een intensieve en positieve samenwerking met de medewerkers mogen hebben en met velen van hen is ook duidelijk een sterke vertrouwensrelatie ontstaan. En zonder mevrouw Blauw, mijn secretaresse, had ik dit werk zeker niet kunnen doen. Die goede samenwerking met inventieve en creatieve medewerkers, is doorslaggevend geweest voor het plezier dat ik in het werk heb gehad. Ook de samenwerking in het college heb ik steeds als positief ervaren. De persoonlijke verhoudingen waren, ondanks politiek verschillende uitgangspunten en soms ook politiek bepaalde meningsverschillen, goed en de positie van de voorzitter is
daarbij essentieel geweest.
Wat mij betreft zal er steeds sprake blijven van een door de Kroon benoemde en geen gekozen voorzitter. Ik heb het grote voorrecht gehad dat alle voorstellen die ik in mij 17-jarige GS-periode mocht verdedigen door de staten zijn aanvaard.

Politiek is niet alles
Plannen voor de toekomst?
Ik zal in ieder geval meer tijd hebben voor de familie. En om te lezen. Geschiedenis vooral, niet alleen de Drentse, al was de verschijning in 1985 van de Geschiedenis van Drenthe in de afgelopen statenperiode een bijzonder markeringspunt.
Verder wandelen en fietsen mijn vrouw en ik graag.
Uiteraard zal ik ook de kerkelijke ontwikkelingen blijven volgen
en bezig blijven in het CDA en andere verbanden.
Al met al blijft er nog genoeg over om te doen.

Toch een afscheid met enige spijt in het hart?
Dat wel, maar ook een periode om met voldoening op terug te kijken. En, om met professor Kuitert te spreken: Alles is politiek, maar politiek is niet alles.